Arbeidsmigratie in vroeger tijden vanuit Duitsland naar Nederland

De Hollandgangers

Migratie vanuit het buitenland naar ons land is op het ogenblik weer actueel, maar het is geen nieuw verschijnsel. Johannes Jacobus Casperus Berens en Margaretha Adelheit Kolcker waren geen uitzondering maar waarschijnlijk exponenten van een omvangrijke arbeidsmigrantenstroom vanuit Duitsland naar het toen rijke Holland, waarvan het hoogtepunt lag in de tweede helft van de 18e eeuw: de Hollandgangers.

In de dorpen in de wijde omstreken van Haarlem werkten in de 17e tot en met de 19e eeuw zeer veel Duitse seizoenarbeiders. Ze werkten als zogenaamde polderjongens bij de aanleg van vaarten en dijken, als 'blekersboden' op de blekerijen, als grasmaaiers in de weilanden, als veenwerkers op de landerijen, als tuinlieden op de buitenplaatsen of ze trokken als marskramers van boerderij naar boerderij. In de historische bronnen is maar zelden te achterhalen wie ze waren en waar ze vandaan kwamen. Tenzij ze hun sporen hebben nagelaten in de diverse registers van kerken en van de burgerlijke stand, zoals het geval is met onze hoofdpersonen Kasper Barendse en Aaltje Kulkers.

Johannes Jacobus Casperus Berens werd geboren op 2 mei 1744 in Neuenkirchen, nabij Osnabrück, Duitsland. Hij trouwde met Margaretha Adelheit Kolcker, geboren op 16 oktober in Merzen, eveneens nabij Osnabrück, Duitsland, op 22 november 1778 in Monster, Nederland. Zij lieten zich in Nederland registreren als Kasper Barendse en Aaltje Kulkers. Het is goed mogelijk dat Kasper Barendse al meerdere jaren seizoenarbeid verrichtte in Holland alvorens hij zich aldaar definitief vestigde. Vanwaar die arbeidstrek naar Holland? Wat bracht hem, en zo velen met hem, ertoe hun geluk te beproeven ver weg van huis en haard?

Ontstaan van de trek naar Holland

Er kan aangenomen worden dat de arbeidstrek uit de regio Osnabrück naar Nederland al sinds de 16e eeuw plaatsvond. In de daaropvolgende Gouden Eeuw in Nederland werden vele migranten uit het gehele noordwesten van Duitsland door het vooruitzicht van werk en goede verdiensten in Holland aangesproken. De periode van economische opbloei in ons land, die duurde tot het midden van de 18e ceuw, had een permanente vraag naar arbeidskrachten tot gevolg. Deze mensen konden, juist door de economische voorspoed, een hoog loon krijgen. En dit was niet de enige grond voor de trek naar het steenrijke Holland; ook de culturele bloei en de maatschappelijke tolerantie oefenden een sterke aantrekkingskracht uit op deze seizoenarbeiders.

In het prinsbisdom Osnabrück, het thuisland van een groot deel van de Hollandgangers, was de situatie geheel tegenovergesteld. In de 17e eeuw moest aldaar als gevolg van de Dertigjarige. Oorlog (1618-1648) een torenhoge schuldenlast weggewerkt worden en hiertoe werd een nogal ingrijpende belastingpolitiek gevoerd. Wat dit betekende voor de bevolking laat zich raden. Een andere verklaring voor de verarming van de bevolking lag in de door de landbouw bepaalde sociale structuur van het prinsbisdom. Naar oud 'Westfälisches Höferecht' werd naargelang de grootte van de boerderijen onderscheid gemaakt tussen 'Vollerbe', 'Halberbe', 'Erbkotten' en 'Markkötter'. De eigenaren van deze hoeves werden als zodanig Vollerben', 'Halberben', 'Erbkötter' en 'Markkötter' genoemd. De ‘Vollerben', 'Halberben' en 'Erbkötter' bleven vaak nog verbonden aan het stamgoed. Maar al bij de vestiging van de 'Markkötter', die al in de 15e en 16e eeuw door toewijzing van gemeenschappelijk bouwland hun grond in bezit kregen, bleek een toenemende schaarste aan vestigingsgrond. De 'Markkötter' hadden daardoor aanzienlijk minder werk en hierdoor vormden handwerk of handel vaak noodzakelijke bijverdiensten. Mede daardoor vinden we onder deze 'Markkötter' al een aanzienlijke hoeveelheid Hollandgangers.

Het verbod op de erfdeling uit 1618, dat instandhouding van de hoeves moest waarborgen, en de groei van de bevolking sinds het einde van de bovengenoemde Dertigjarige Oorlog leidden tot het ontstaan van de klasse van de 'Heuerleute'. Dit was een in economisch opzicht zeer afhankelijke bevolkingsgroep waarin de zogenaamde 'Hüsselten' te vinden waren. Deze 'Hüsselten' waren niet-ervende kinderen van boeren. Zij bezaten geen grond en konden ook helemaal nergens introuwen. Daarom huurden ('heuerten') zij van een boer een klein stukje land en een huis. Als tegenprestatie moesten zij behalve het betalen van een pachtsom ook handdiensten op de boerderij van de verpachter verrichten. Zo ontstond het systeem van 'Heuerleute'. Het aantal 'Heuerleute'-families in de regio Osnabrück maakte rond 1770 meer dan 53% van de plattelandsbevolking uit. Het systeem met zijn structurele onzekerheden en risico's was, naast de bijzonder geringe exploitatiemogelijkheden van de boerderijen en de onvruchtbaarhcid van de bodem in het gebied, een zeer belangrijke oorzaak van de gang naar Holland. Bovendien zette de verslechtering van de levensomstandigheden van de plattelandsbevolking in de 19e eeuw verder door. De economische groei hield bij lange na geen gelijke tred met de sterke bevolkingsgroei en het gedeelte boerenzonen dat niet meer zijn plek kon vinden in de eerder geschetste economische sociale structuur groeide gestaag. Hierdoor breidde de agrarische onderlaag zich verder uit en zo gingen de Hollandgangers een steeds groter deel van de beroepsbevolking uitmaken.

We zien dus dat het niet zo vreemd was dat de arme boerenarbeiders uit de regio van Osnabrück naar de Hollandse kuststreken trokken om daar hun schamele bestaan aan te vullen. Doordat de verschillende arbeidscycli op elkaar aansloten was dit ook heel goed mogelijk. In het vroege voorjaar verrichtten de boeren hun voorjaarswerkzaam-heden op het eigen land. Daarna vertrokken zij naar Holland waar in de voorzomer het meeste werk in de veeteelt werd verricht (hooioogst) of tot juli turf gewonnen werd. In de nazomer waren de Hollandgangers weer op het eigen land om dan het graan te oogsten en het winterkoren in te zaaien.

De Hollandgangers waren trouwens maar zelden avonturiers of ontdekkingsreizigers die zomaar in den vreemde naar werk gingen zoeken. Meestal volgden ze de wegen van vrienden of bekenden die hen al voorgegaan waren en vaak door bemiddeling hielpen bij het vinden van werk.

De Hollandgangers waren vooral te vinden in de goederenhandel, de zeevaart, het handwerk en vooral het akkoordwerk zoals grasmaaien of turfwinning. Deze specialisatie is eenvoudig verklaren uit de eigen vaardigheden die zij reeds bezaten en door hun hogere graad van bekwaamheid hadden zij een betere marktwaarde, waardoor de Hollandganger ook een betere beloning kon vragen. Deze specialisatie werd natuurlijk al eigen gemaakt in het eigen thuisgcbied en had dus een natuurlijke verankering in de sociale thuissituatie van de Hollandgangers. In onze omgeving vormden hoogstwaarschijnlijk in de 18e eeuw de turfstekers en in de 19e eeuw de grasmaaiers het grootste deel van de Hollandgangers. In 1724 had de stedelijke regering van Haarlem, louter handelend uit economische overwegingen, de heerlijkheidrechten van de ambachten Nieuwveen en Zevenhoven verworven. Haarlem beleefde in die tijd een periode van grote bloei en groei en hierdoor steeg dan ook de vraag naar brandstof. Doordat Haarlem het voor het zeggen had voor wat betreft de ontginningsrechten van de veenlanderijen onder beide ambachten, kon de stad het winnen van veen onder eigen leveringsvoorwaarden en prijs ter hand nemen. En dat gebeurde dus ook. De vraag naar arbeidskrachten nam hierdoor uiteraard sterk toe. Dat het proces van ontginnmg niet onverminderd kon doorgaan werd onverkort duidelijk door de fatale gevolgen ervan: het dorp Schoot werd rond 1750 geheel door het water verzwolgen en ook de Uitterbuurt ontkwam niet aan het water. Voor de Hollandgangers, die in onze omgeving naar werk zochten, werd de turfwinning zodoende vanzelf steeds minder belangrijk. Zoals bekend werd in Holland vanaf het begin van de 19e eeuw de drooglegging van de polders aangevangen. De vele hiermee gepaard gaande werkzaamheden trokken natuurlijk ook weer arbeidskrachten aan. Na de voltooiing van de droogleggingen werd hier de landbouw door de goede vruchtbaarheid van de grond weer het belangrijkste middel van bestaan. In de tijd van onze hoofdpersoon Casper Barendse, dus zo rond 1800, kwamen de Hollandgangers hier in groten getale hun tijdelijk emplooi zoeken in de hooibouw.

Het jaarlijkse vertrek van de Hollandgangers uit Duitsland was altijd weer een bijzondere gebeurtenis waaraan het gehele dorp deelnam. Het afscheid van gezinsleden, familieleden en vrienden vond in een uiterlijk vrolijke en optimistische stemming plaats, maar er zal zeker angst en zorg zijn geweest onder de mensen die vertrokken en zij die thuis achterbleven. Onzekerheid was er bijvoorbeeld over de vraag of er voldoende loon verdiend zou kunnen worden om met het gezin te kunnen overleven. Bovendien loerde, zoals we al eerder zagen, het gevaar ziek te worden op de plaats van bestemming.

De afstand tussen het gebied van herkomst van de Hollandgangers tot de voornaamste plaatsen van bestemming bedroeg gemiddeld zo'n 200 á 300 km- Een afstand die in die tijd grotendeels te voet afgelegd moest worden en om die reden dagen in beslag nam. Men kan zich voorstellen dat het in die dagen gebruikte schoeisel met van een kwaliteit was die men vandaag de dag vanzelfsprekend vindt. De reis werd nog eens extra, bemoeilijkt door het feit dat er nog weinig geplaveide en ongeplaveide wegen naar Holland en andere Nederlandse kustprovincies liepen. Tussen plaats van herkomst en plaats van bestemming lagen uitgestrekte veengebieden, die niet zomaar te doorkruisen waren. Dit dwong de Hollandgangers letterlijk tot het nemen van bepaalde routes.

De veengebieden die zich tussen de Dollard, de Eems, de streek Gronau-Hengelo en het IJsselmeer uitstrekten, boden de Hollandgangers slechts twee natuurlijke doorgangen naar West-Nederland, Friesland en Groningen. Een noordelijke route verliep via een smalle corridor tussen de Dollard en het Bourtanger veen naar Groningen en Friesland. De meeste trekarbeiders maakten echter gebruik van een meer zuidelijker lopende weg, die door Lingen en het Graafschap Bentheim, achter de Nederlandse grens langs door de smalle, aan beide zijden door venen ingeloten, rivierbedding van de Vecht naar het IJsselineer voerde. Van deze route splitste zich achter de grens een noordelijke zijroute af naar Groningen en West-Friesland. Al in het noordelijk deel van het land rond Osnabrück kwamen vele wegen uit op deze hoofdroute.

De Hollandgangers vertrokken niet alleen. Als dat mogelijk was vertrokken zij direct in groepen vanuit hun woonplaats. Vandaar trokken de zich verzamelende trekarbeiders in steeds groter wordende troepen naar het veer over de Ems bij Lingen, alwaar zich de Hollandgangers uit het Eemsland en waarschijnlijk ook uit de regio Cloppenburg bij hen aansloten. In Lingen werden jaarlijks tienduizenden heen- en terugreizende trekarbeiders met het veer overgezet.

In de tweede helft van de negentiende eeuw nam het aantal Hollandgangers steeds meer af. Er ontstond, niet in het minst onder invloed van verslechterende economische omstandigheden in Nederland, rond 1830 een steeds sterker wordende emigratiestroom naar het nieuwe beloofde land Amenka. Bijzonder hoog was het emigratiepercentage in de gebieden waarin veel bezitloze landarbeiders voorkwamen. Veel van deze landarbeiders, die tot dan het hoofd boven water hielden door in Holland bij te verdienen, emigreerden.

Achternamen en bijnamen

U zult begrijpen, dat de nakomelingen van Casper Barendse niet de enigen in onze omgeving zijn die Duits bloed in de aderen hebben stromen. Echter de meeste immigranten vestigden in de steden waaronder de Hollandgangers met de meeste koopmansgeest later de grondleggers waren van enkele nu nog bestaande koopmansgeslachten, zoals Peek & Cloppenburg, Vroom & Dreesmann, Lampe en Brenninkmeyer. De bijnaam van deze marskramers was 'teuten'. Er waren nog vele andere bijnamen die de Hollandgangers alhier ten deel vielen, zoals: spekvreters, knoeten, potschijters, grashannesen, graspoepen, mieren, pikmaaiers en bovenlanders. De benaming "mof' was ook algemeen, en stamt dan ook niet uit de Tweede Wereldoorlog.

In het Westland hebben zich afgaande op de achternamen waarschijnlijk niet zoveel Duitse immigranten permanent bevestigd. Echter net zoals Casper Berens zijn naam veranderde in Kasper Barendse en zijn vrouw Adelheit Kölcker haar naam veranderde in Aaltje Kulker bij vestiging in het Westland zullen anderen dat mogelijk ook gedaan hebben.

Opmerking: Het is intrigerend waarom Casper Berends de achternaam Barendse gekozen heeft toen hij zich in het Westland vestigde. In die tijd kwam de naam Barendse in het Westland nog niet voor, terwijl daarbuiten zoals in Leiden, Amsterdam de naam Barendse voor zover dat is na te gaan ook rond 1800 is ontstaan. De achternaam Barendse was in die tijd vooral bekend in Zeeland en in 1847 emigreerde een Barendse familie naar Michigan, in de Verenigde Staten. Vanuit Zeeland is rond die tijd geen migratie van Barendse’s naar het Westland en omstreken bekend!

Kasper Barendse en Aalltje Kulker

Volgens het Rechterlijk Archief van Monster: "Op heden den 22 November 1778 zijn voor ons Scheepenen Commen ter Gerechtskamer alhier binnen Monster in den wettigen Huywelijken Staat bevestigd. Kasper*) Barendse J.M. met Aaltje J.D. beyde gebooren in 't Osnabrugse en beyde woonende aan de Zuydzeyde van de Groote Gantel in Monster Ambacht."

Het is zeer waarschijnlijk dat Kasper*) Barendse al meerdere jaren seizoenarbeid verrichtte in Holland en/of Het Westland alvorens hij zich definitief vestigde als tuinder in De Nieuwe Tuinen aan de Gantel in het Westland. Hij was waarschijnlijk reeds bekend met het tuindersvak in deze streek en had mogelijk voldoende verdiend in het verleden alvorens zich een tuin te kunnen permiteren.

Uit het huwelijk van Kasper Barendse en Aaltje Kulkers zijn 7 kinderen geboren, gevolgd door vele nakomelingen die vrijwel allen in het Westland de tuinbouw beoefenden.

*) De ‘C’ en ‘K’ werden in het oude Nederlands door elkaar gebruikt en altijd als ‘K’ uitgesproken.
 
 

Bronnen:

Ton van den Berg (zie: http://home.wanadoo.nl/pieterengeertruida/Hollandgangers.pdf)

Birgit Nolte-Schuster, Jaap Vogel & Winfried Woesier, 'Zur Arbeid nach Holland', Universität Osnabrück, 2001, ISBN 3-00-007774-X;

H. Mertens-Westphalen 'Werken over de grens: 350 jaar geld verdienen in het buitenland', Assen: Provinciaal museum van Drenthe, ISBN 90-70884-53-4;

Wandelt, Lenk & Timmermans, Internet (zie boven Ton van den Berg), 'Hollandgänger/Hollandgangers', geraadpleegd mei 2001; H. Röling (t), De Proosdijkoerier, ig. 18, nr. 3, 'De Hollandgänger (trekarbeid naar Nederland vanuit Duitsland).

http://freepages.genealogy.rootsweb.com/~luijkenaar/genea/gzn/randstad/l/lueckener/ausw.html